Logo Vlaamse Overheid en Ruimtelijke Ordening

Basisrechten voor gesloopte zonevreemde constructies

De zonevreemde basisrechten kunnen in principe enkel worden toegepast voor ‘bestaande’ zonevreemde constructies. Werd de oorspronkelijke constructie gesloopt dan kunnen de basisrechten voor deze gesloopte constructie niet meer worden toegepast.

Artikel 4.4.20 VCRO bevat een uitzondering op dit principe voor recent afgebroken zonevreemde woningen of andere constructies. Zo zijn de mogelijkheden voor bestaande zonevreemde constructies van overeenkomstige toepassing op zonevreemde woningen of andere constructies die geheel of gedeeltelijk zijn afgebroken, indien voldaan is aan beide hiernavolgende voorwaarden:

“1° voorafgaand aan de afbraak werd een omgevingsvergunning tot verbouw of tot herbouw afgeleverd, en de aanvrager wenst het plan nu aan te passen of om te zetten naar herbouw;
2° de aanvraag wordt ingediend binnen de geldigheidstermijn van de initiële omgevingsvergunning tot herbouw of tot verbouw.”.

Een eigenaar die in overeenstemming met een stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen een zonevreemde woning geheel of gedeeltelijk heeft afgebroken en een nieuwe woning heeft opgericht, kan zich echter niet op dit artikel beroepen als zijn vergunning (na voltooiing van de werken) wordt vernietigd door de Raad voor Vergunningsbetwistingen.

Deze eigenaar kan, in navolging van het arrest van de RvVb geen aangepaste vergunningsaanvraag indienen. Hij voldoet immers niet aan de voorwaarde dat “de aanvraag wordt ingediend binnen de geldigheidstermijn van de initiële omgevingsvergunning tot herbouw of tot verbouw”.

Een vernietiging door de RvVb heeft namelijk terugwerkende kracht zodat de (initiële) vergunning definitief uit het rechtsverkeer is verdwenen en wordt geacht nooit te hebben bestaan. Een aanvraag ‘binnen de geldigheidstermijn van de initiële omgevingsvergunning’ is bijgevolg niet meer mogelijk.

Artikel 4.4.20 VCRO ontneemt de vergunninghouder dan ook de mogelijkheid om een nieuwe wettige vergunning te verkrijgen, ook in gevallen waar hij deze bij zijn initiële aanvraag op grond van bv. artikel 4.4.13 VCRO wél had kunnen krijgen.

Er kan nochtans worden aangenomen dat de houder van de vergunning heeft gehandeld te goeder trouw, aangezien deze op het ogenblik van de werken beschikte over een uitvoerbare vergunning. Het kan niet van burgers worden verwacht dat zij zelf de wettigheid van vergunningen moeten beoordelen. Burgers mogen er integendeel vanuit gaan dat een verkregen vergunning wettelijk in orde is en mag worden uitgevoerd.

Bovendien is het niet logisch om een wijziging of aanpassing van de vergunning wel toe te laten tijdens de geldingsduur van de vergunning en niet meer nadat de vergunning werd vernietigd. Een regulariserende vergunning strekt er enkel toe om uitvoering te geven aan de uitspraak van de RvVb en de werken desgevallend in overeenstemming te brengen met de zonevreemde basisrechten.

Bijgevolg wordt het toepassingsgebied van artikel 4.4.20 VCRO verruimd tot gevallen waarin een woning of constructie werd afgebroken in uitvoering van een vergunning waarbij die vergunning na de uitvoering van de werken werd vernietigd door de RvVb.

Wel moet de aanvraag ingediend worden binnen 1 jaar na de betekening van het definitieve arrest van de RvVb waarbij de reeds uitgevoerde initiële vergunning werd vernietigd.

Met ‘definitieve’ arrest wordt bedoeld dat ook geen cassatieberoep bij de Raad van State meer mogelijk is tegen het arrest van de RvVb. Wordt een dergelijk cassatieberoep ingesteld, dan begint de termijn van 1 jaar maar te lopen na tussenkomst van het arrest van de Raad van State waarin het cassatieberoep werd verworpen of na tussenkomst van een nieuw arrest van de RvVb na cassatie door de Raad van State.

Terug naar overzicht