Logo Vlaamse Overheid en Ruimtelijke Ordening

Ruilverkavelingen

De mogelijkheid om af te wijken van stedenbouwkundige voorschriften voor medegebruik inzake natuurschoon (artikel 4.4.5 VCRO) wordt uitgebreid. Het verzameldecreet 2019 maakt het mogelijk dat bij de uitvoering van een ruilverkavelingsproject handelingen gericht op de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van de natuur en het natuurlijk milieu en van landschapswaarden, vergund kunnen worden, en dit in alle bestemmingsgebieden, zelfs als deze handelingen een grote impact hebben.

Deze nieuwe mogelijkheid vorm aldus een uitzondering op het principe van artikel 4.4.5 VCRO dat enkel projecten zijn toegelaten die door hun beperkte impact de verwezenlijking van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen.

De Vlaamse Regering kan van deze mogelijkheid gebruik maken bij het uitvaardigen van een welbepaald ruilverkavelingsproject nadat dit door de bevoegde minister eerst nuttig werd verklaard. De Vlaamse Regering kan daarbij beslissen dat de bevoegde overheid een planinitiatief (een ruimtelijk uitvoeringsplan) moet nemen binnen de drie jaar na het verlijden van de ruilverkavelingsakte, waarin wordt voorzien in een passende herbestemming.

Samenvattend verloopt de procedure dus als volgt:

  1. De bevoegde minister stelt het kavelplan vast (nuttig verklaring)
  2. De Vlaamse Regering vaardigt de ruilverkaveling uit en beslist desgewenst over:
    - de toepassing van artikel 4.4.5 VCRO en;
    - het gegeven dat de bevoegde overheid een ontwerp van RUP moet opmaken;
  3. Het ruilverkavelingscomité vraagt een omgevingsvergunning aan (gebruik makend van artikel 4.4.5 VCRO) en voert de vergunde handelingen uit;
  4. Verlijden van de ruilverkavelingsakte (nieuwe toedeling van eigendom en gebruik)
  5. Binnen de 3 jaar na datum van het verlijden van de ruilverkavelingsakte volgt de voorlopige vaststelling van het ontwerp RUP (als de Vlaamse Regering dit heeft opgelegd).

Deze toevoeging wordt als volgt verantwoord:

  • de uit te voeren handelingen kaderen binnen een door de bevoegde minister goedgekeurd en door de Vlaamse Regering bekrachtigd ruilverkavelingsplan dat via een geïntegreerd en gebiedsgericht planningsproces met de nodige onderbouwing (studies, MER,...) en publieke inspraakmomenten tot stand is gekomen;
  • het gaat om het behoud, ontwikkeling en herstel van natuur, natuurlijk milieu en van landschapswaarden in de lijn met de geformuleerde beleidsdoelstellingen (AGNAS, instandhoudingsdoelstellingen, …) voor het gebied. De wettelijk voorziene inspraak-, advies-, en goedkeuringsprocedures vormen hiervoor een garantie. De ruilverkavelingswet voorziet ook expliciet dat de ruilverkaveling gepaard kan gaan met het nemen van maatregelen tot landinrichting, waaronder o.a. natuur- en landschapswerken. Het realiseren van instandhoudingsdoelstellingen is bovendien zelfs expliciet opgenomen in de ruilverkavelingswet (artikel 62).
  • het instrument ruilverkaveling voorziet in haar eigen wetgeving een heel systeem van ‘checks and balances’ om te garanderen dat enerzijds op projectniveau er voldoende landbouwkundige baten zijn en anderzijds dat op het niveau van de individuele eigenaar en gebruiker het basisbeginsel erin bestaat de zo veel mogelijk de gelijkwaardigheid wordt nagestreefd tussen de ingebrachte en de toebedeelde kavels;
  • hoewel het resultaat van de ruilverkaveling kan zijn om in bepaalde zones, al dan niet begeleid door het uitvoeren van natuurinrichtingswerken, de hoofdfunctie te wijzigen van landbouw naar natuur, brengen deze maatregelen de verwezenlijking van de algemene agrarische bestemming van het ruilverkavelingsgebied op projectniveau in principe niet in het gedrang. Er worden hiervoor weliswaar gronden aan de landbouw onttrokken, maar:
    • dit gebeurt op basis van een in de loop der jaren opgebouwde grondreserve in het gebied;
    • de resterende landbouwgronden worden beter gegroepeerd, ingericht en ontsloten;
    • de rechten van de belanghebbenden worden gewaarborgd door het wettelijk mechanisme van de herverkaveling;
    • de aan de landbouw onttrokken gronden worden in principe gesitueerd binnen de gebieden die daarvoor ook beleidsmatig en/of juridisch zijn aangeduid (SBZ-gebieden, zones aangeduid in de AGNAS-visies, …);
    • de aan de landbouw onttrokken gronden hebben veelal een eerder marginale landbouwkundige waarde;
    • voor het beheer van bepaalde natuurdoelen (bv. halfnatuurlijke graslanden) blijft een zekere vorm van extensief landbouwgebruik mogelijk en zelfs nodig;
    • het verlies aan landbouwareaal, dat onmiskenbaar gepaard gaat met processen zoals AGNAS en Natura 2000, wordt door de inzet van het instrument ruilverkaveling niet door slechts enkele landbouwbedrijven gedragen, maar door het volledige ruilverkavelingsgebied.

Terug naar overzicht